Stel je voor: je wilt een kunstwerk maken, je hebt een geweldig idee en je begint je idee te schetsen, zodat het ook in de buitenwereld zijn eerste voorzichtige vorm krijgt. Je eerste idee is altijd een cliché-idee, dus je maakt meerdere schetsen. Dan heb je 20 schetsen liggen en moet je kiezen welke van de schetsen je gaat gebruiken als uitgangspunt voor je nieuwe werk.
Selecteren is vervelend. Voor je met een werk begint, ligt alles nog open. Elke keuze die je maakt, verkleint je mogelijkheden. In je hoofd is het een top-idee dat er geweldig uitziet, maar in je hoofd kan niemand het zien, dus je zal het toch buiten jezelf vorm moeten geven.
Je moet dus kiezen om de volgende stap te kunnen zetten. Hoe doe je dat? Hoe weet je welke keuze de juiste is? Het antwoord is dat je dat nooit zeker weet. Het kan altijd anders worden dan je voor ogen had, ten goede of ten slechte. Maar je kunt er wel veel beter in worden door je in de achterliggende vragen te verdiepen.
Vragen achter deze keuzes kunnen zijn:
- Wat wil ik eigenlijk laten zien? Heb ik een verhaal, dat ik met dit beeld wil vertellen? Wat is het thema in mijn leven, dat keer op keer terugkomt in mijn kunst?
- In welke schets komt dat ‘verhaal’ het sterkst over? In welke compositie komt die emotie het best naar voren?
- Wat is dan het belangrijkste deel, waarvan ik wil dat de kunstkijker er meteen naar kijkt? Wat is minder belangrijk? En wat laat ik weg?
- Welke kleur geeft het onderwerp het best weer? Wat wordt dus de belangrijkste kleur in dit werk?
- Hoe zorg ik ervoor dat de restvormen ook ‘goede’ vormen zijn?
- Hoe vormen licht en donker de stabiele basis van dit werk?
Als je de antwoorden op dit soort vragen voor jezelf duidelijk hebt, is het maken van keuzes veel minder moeilijk. De oplossing dient zich dan vanzelf aan, als een logisch gevolg ervan.
